Woningruil


In één beweging laat Mees haar tassen op de deurmat ploffen. Haar zwarte Gucci handtas, onafscheidelijk verlengstuk van haar linkerarm, en de bruine lederen weekendtas, die ze bij uitzondering mee had genomen voor deze speciale logeerpartij. Nog voordat ze haar jas uittrekt en haar voeten uit haar pumps wurmt, loopt ze een rondje door de kamer. Zoals ze dat ook altijd doet in hotelkamers. Gewoon even de ruimte opsnuiven, kijken wat er achter kastdeuren schuilt, voelen hoe het bed is geveerd en kijken wat er in de koelkast staat. Toch is dit anders. Voelen, kasten opentrekken, op het bed springen, ze durft het niet. Kijken wel. Haar blik glijdt langs de grijs getinte muren, langs de ingelijste Lunch On a Skyscraper New York City, langs de stellingkast met netjes geordende en de zorgvuldig samengestelde fotocollages. Op één van de foto’s herkent ze Jennie. Onmiskenbaar. De drie keer dat ze met haar had afgesproken in een koffietentje om de details van de woningruil door te spreken had ze een goed beeld van haar gekregen. Ze leidde het leven dat Mees ooit leidde: voorspelbaar, met regelmaat, zonder pieken, zonder dalen. Daarmee was ze precies de persoon die ze zocht en daarom was dit ook precies het huis dat ze nodig had. Een geniaal plan, dat snel in werking was getreden. Mees was op zoek naar rust en ruimte, een toevluchtsoord waar ze onvindbaar zou zijn. Zelfs voor haar tourmanager. Jennie was juist op zoek naar de levendigheid van de grachtengordel en was enthousiast akkoord gegaan. En zo waren Mees en Jennie vanmorgen op dezelfde metrolijn gestapt, alleen voerde die van Mees de stad uit en die van Jennie de stad in.

Voor degene in een schuilhoek achter glas. Vanaf het moment dat ze de sleutel in het slot omdraaide en Jennie’s appartement binnenwandelde vanmorgen voelt ze zich een indringer. Het voelt vreemd, bijna onveilig. Als een politieagent op een plaats delict, uiterst zorgvuldig geen sporen achterlatend. Misschien is het daarom dat ze zich sindsdien in de hoek van de grote vierzitsbank heeft genesteld en daar niet vandaan is gekomen. Mees trekt haar knieën op en slaat haar armen er omheen. Haar kin laat ze zakken tussen haar beide knieën. Zachtjes wiegt ze heen en weer als in een schommelstoel. De bekende gitaarklanken en het donkere stemgeluid stellen haar gerust. Ramses helpt. Blij verrast was ze toen ze Zijn Grootste Successen vond. Vanaf dat moment cirkelen de stukjes tekst die ze zo goed kent door de huiskamer. Geluidloos omlijsten haar lippen de woorden die ze zo goed kent.

Voor degene met het dichtgeslagen boek. Geluidloos. Want ze zingt niet meer. Sinds vorige maand hadden de woorden die ze normaal gesproken zonder moeite uit haar mond liet ontsnappen hun klank verloren. De klank die ze nodig hadden om te passen in haar liedjes. Liedjes over de grote dingen in het leven, over de liefde, over alles dat ze meemaakt. Eerst had een gevoel van paniek haar overmeesterd, maar later werd ze rustig. Het hoefde even niet meer. Met dat laatste gevoel laat Mees zich achterover zakken. Op het moment dat ze lijkt te verdwijnen tussen het oerwoud aan kussens op de bank, hoort ze een geluid. Mees houdt haar adem in en spitst haar oren. En weer dat geluid. Het lijkt nog het meest op het rinkelen van een belletje. Wacht, het is natuurlijk het rinkelen van een belletje. Het belletje van Joy. Jennie had Mees’ oren volgepraat over haar huisgenootje Joy. Ze herinnert zich het mailtje van Jennie met het tijdschema. Een rijtje tijdstippen gevolgd door het type voer. Zelfs met extra instructies, zoals “even doormidden breken en door de kamer gooien”. Een overbodig mailtje, want de tijden leken wel voorgeprogrammeerd in het kleine bolletje van de cyperse poes. Mees heeft nooit iets gehad met poezen. Joy was deel van de package-deal, zo had ze het gezien. En huiselijkheid en rust, daar paste natuurlijk ook wel een huisdier bij. Op haar pantykousen glijdt Mees over de tegelvloer richting de keuken. De keuken is donker, maar een streep zon verlicht een strook van de zwart-wit getegelde keukenvloer. Vanaf de linkerhoek onderscheidt Mees de contouren van wat Joy dan zou moeten zijn. Het lijkt alsof het beest ook had besloten haar adem in te houden. Op het moment dat ze haar aankijkt nemen de ovaalvormige ogen van Joy een smachtende vorm aan en ontsnapt er een kort ondefinieerbaar geluid uit haar bek. Mees herkent het aluminium bakje dat naast haar staat uit de beschrijving in de email. Hier moeten de brokjes in. Ze trekt volgens de instructie het linker keukenkastje open en pakt de paarse verpakking. Ze vult het bakje tot aan de rand. Op het aanrecht steekt ze de stekker van de waterfontein in het stopcontact. Tijdens die automatische reeks van handelingen voelt Mees zich even Jennie. Ze probeert zich voor te stellen hoe zij dit doet, elke dag op hetzelfde tijdstip. Ze schrikt op uit haar gedachten als Joy dankbaar haar grijze kop tegen haar enkel duwt. Als Mees zich weer in de bank laat vallen rolt het grijze beestje zich op tot het formaat van een vogelnest in de andere hoek van de bank. Vanaf de muur tegenover haar lijkt één van de lunchende bouwvakkers naar haar te knipogen.

Ramses blijft zingen. Voor diegene die niet doet, die alleen maar wacht. Mees schudt haar hoofd en probeert alles op een rijtje te zetten. Beginnend met haar eerste optredens en het platencontract. In 2010 was ze in zee gegaan met T-Records. Ray had haar aangesproken na een optreden in Café De Wijnhaven, de plek waar ze elke donderdagavond een aantal nummers ten gehore bracht. Nummers over het leven dat ze leefde, over de momenten waar ze van genoot. De zon op haar gezicht, de wind door haar haren, de eerste sigaret van de dag, dat soort dingen. Ze herinnert zich haar ambitie. Groots en meeslepend wilde ze leven, niks links laten liggen. Het leven hoorde niet te kabbelen, maar te strómen. Om zich heen had ze de levens gezien die ze niet wilde leiden. Huisje, boompje, beestje. Kabbelend als een rivier, die alleen maar één kant op kon bewegen: van de berg af. Mees wilde het anders doen. De berg op als het haar uitkwam, of naar links als rechts logischer was. Weemoedig denkt Mees nu terug aan de brutaliteit van een paar jaar geleden. Regelmatig heeft ze oogcontact met zichzelf in de platenwinkel. Vanaf de albumcover kijkt een brutaal paar ogen haar dan aan. Vaak wuift ze het moment van oogcontact nonchalant weg, samen met een lok haar in haar gezicht. Of ze rommelt in haar handtas, op zoek naar haar telefoon. Door het gepiep van dezelfde telefoon schrikt Mees op uit haar gedachten. Een appje van Jennie: “bel je later ff, zit bij De Reiger op de hoek!” De Reiger, waar Mees normaal gesproken elke dag haar eerste kop koffie drinkt. Mees probeert zich Jennie in te beelden in de bruine kroeg en grinnikt. Toch zit ze er. Misschien voelt ze zich er meer thuis dan zij. Thuis. Even had ze gehoopt zich thuis te voelen in Jennie’s appartement. Vreemd, maar ze had terug verlangd naar haar leven van vóór 2010. Kabbelend. Geen vezel in haar lichaam was meer groots en meeslepend. Geen vezel in haar lichaam voelde zich nog ergens thuis. Mees tikt een appje naar Jennie: “Prima. X.”

Uit de speaker klinken de eerste tonen van We Leven Nog. Mees heeft behoefte aan wat frisse lucht en staat op uit de bank en duwt de schuifpui open. Ze trekt haar pantykousen uit en stapt met blote voeten op de rode tegels van het balkon. Twee muren omlijsten een ruimte die net groot genoeg is voor twee tuinstoelen. Aan de reling hangt een soort uitklaptafeltje met daarop een asbak. Goed idee. Leunend over de rode spijlen inhaleert Mees de inhoud van haar sigaret.

Als vanzelf glijdt ze in de ontspannen houding die ze zo goed kent; ontspannen schouders, holle rug, op één been, de ander sierlijk opgetrokken. Hoeveel Marlboro Gold Packs had ze niet in deze houding opgerookt, leunend over de balustrade van haar dakterras aan de Bloemgracht? De wekelijkse repetities in de tot studio omgebouwde zolder hadden steevast uitgemond in feestjes. Feestjes was nog zuinig uitgedrukt; het waren zuippartijen, met veel voor haar onbekende mannen, die achteraf platenbazen bleken te zijn. Ray was altijd scheutig geweest met uitnodigingen. Haar type feestje was het niet, maar ze had het toegelaten. Ze wilde tenslotte overal het maximale uithalen, ook uit deze ervaring. In een poging om de feestjes in haar met wiet doorrookte appartement te ontvluchten dook Mees vaak haar dakterras op. Als een Marilyn Monroe leunde ze dan over de balustrade en inhaleerde de rook van haar sigaret, maar bovenal de lucht van buiten. In deze pose duurde het nooit lang voor ze een mannelijk postuur in haar ooghoek zag verschijnen. De rest van de nacht, de ochtend en rest van de volgende dag voltrokken zich dan weer volgens een voorspelbaar patroon.

Misschien had ze er wel alles uitgehaald, uit het leven. Maar ze was één ding verloren en dat was ze zelf. En haar stem. En de momenten waar ze van genoot. De zon op haar gezicht, de wind door haar haren, de eerste sigaret van de dag, dat soort dingen. Haar inspiratie, het genieten, weg in een zucht. Eén voor één laat ze de wolkjes rook ontsnappen uit haar mond, terwijl ze haar neus omhoog richt. De door de zon verwarmde tegels voelen aangenaam onder haar voetzolen. Als een slang wikkelt de staart van Joy zich om Mees’ onderbeen. Het beest wijkt sinds hun ontmoeting niet meer van haar zijde. Het zachte gepruttel klinkt inmiddels vertrouwd in haar oren. Op de achtergrond bereikt één van haar favoriete nummers een hoogtepunt. De emotie in de stem, de betekenis van de tekst. Zoals altijd grijpt die haar bij de keel. Maar we leven nog, maar we leven nog. We leven nog, en niet zeuren. Als ze het stapeltje as op haar sigaret afklopt op de rand van de asbak betrapt ze zichzelf. De woorden, de klanken, ze komen niet alleen uit de mond van Ramses, maar ook uit die van haar.

  • Facebook - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now