Kakiliteiten


Iedere hardloper herkent het wel. Er zit iets dwars tijdens het rennen. Gisteravond nog, tijdens een rondje hobbeldebobbel. Hobbeldebobbel was precies datgene dat ik hoorde tijdens de laatste kilometers. Ook mijn loopmaatje hoorde het. Misschien ook wel de fietsers die ons inhaalden. Die zullen nooit, maar dan ook echt nooit, weten dat dat geluid afkomstig was van de pastasalade van de Spar, die ik twee uur ervoor naar binnen had gewerkt. Weer nam ik me voor: ik zal voortaan nóg eerder eten.

Kak. Geen taboe onder hardlopers. Toch? Zij aan zij staan we voor die ene Dixi te wachten, wetend dat we ‘nog even moeten’, van de zenuwen. Zelf heb ik weinig problemen met praten over mijn kakjes. Zó fijn om nog te zijn geweest, zo vlak voor een rondje lopen. Ik geef het toe. Of het nu een wedstrijd is of een trainingsrondje. Vaak onderdruk ik mijn euforische gevoel. Behalve thuis, daar waar ik altijd aan mijn arme huisgenoot moet mededelen dat ‘het weer is gedaan’. Toch, op een spaarzaam moment deelde ik eens enkele kakiliteiten (zoek dit niet op in de Van Dale, het woord bestaat niet echt) met een andere hardloper. En er was herkenning.

En natuurlijk was er herkenning, want kakiliteiten hebben we allemaal. Sterker nog, ze hebben nut. Ze horen erbij. Bij de adrenaline die we voelen voor of tijdens het rennen. Adrenaline was ooit een nuttig stresshormoon. Dat is het nog steeds wel, alleen zit het ons steeds vaker dwars. Want die stress van heel vroeger, in de vorm van aanstormende mannen met bijlen en sluipende tijgers, die kennen we niet meer. Ons lichaam doet nog wel alsof. En zo wil het dat bij een vleugje stress onze menselijke machine zich klaar maakt voor de vlucht. Alle hens aan dek. Opstoken die verbrandingsmotor. En leeg die darmen.

Daar zitten we mooi mee opgescheept. Aan de andere kant, laat het een troost zijn. Op die momenten dat we aanbellen bij een boerderij langs de route, ‘of we even mogen’, als we ergens de fundamenten leggen voor nog nooit geziene bermbegroeiing, of als we weer gebroederlijk staan te vergaan bij een stinkende dixi. Ons lichaam doet het nog. En dat we bij het uitoefenen van de moeder aller sporten af en toe worden herinnerd aan de essentie van ons voortbestaan vind ik wel weer mooi. Overleven en schijt hebben aan de rest, ik vind het een prachtig motto. Mag ik daar zelf een mooie eindtijd op de tien kilometer aan toevoegen? Dan ben ik weer even tevreden.

  • Facebook - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now